Zoek
Sluit dit zoekvak.

Wie wittet?

Hoe heette de Meerveldhovense hoeve waar kabouters vaak hielpen?

De Heskok

Nadat de Romeinen hun biezen hadden gepakt bleef de Kempen in vergetelheid achter. Lang heeft men gedacht dat onze streken zo goed als ontvolkt waren geraakt, maar er zijn aanwijzingen dat een klein maar dapper volkje vocht voor haar bestaan onder leiding van hun koning Kyrië: de aardmennekes oftewel de kabouters.

Koning Kyrië op de dorpspomp van Hoogeloon.

Het machtscentrum lag bij de Kabouterberg in Hoogeloon, waar Kyrië woonde. IJzerwinning en ijzerbewerking was hun specialiteit, maar daarnaast waren zij in latere eeuwen ook werkzaam op boerderijen. Ook in Veldhoven. Aan de huidige Provincialeweg in Meerveldhoven lag een hoeve met de naam Heskok.

De Heskok wordt al vermeld in 1388. Het was een boerenbedrijf dat eigenlijk bestond uit twee boerderijen: het Lege Huijs en het Groote Huijs. Tussen 1782 en 1807 kwam er een derde boerderij bij, het Nieuwe Huijs. Deze is gebouwd op de plaats waar nu het plantsoen ligt op de hoek van de Raadhuisstraat en de Provincialeweg. Het Leege Huijs stond ter hoogte van wat nu Provincialeweg 32-34 is. Het werd in 1870 gesloopt en vervangen door een nieuw huis, meer aan de weg gelegen. Vanaf 1881 is hieruit wasserij Spoli ontstaan. Het Groote Huijs stond ter hoogte van wat nu Provincialeweg 46-50 is. Van 1843 tot 1873 werd het bewoond door Judocus Couwenberg, die graag vertelde over het leven van de kabouters op het Leege en Groote Huijs. In 1876 wordt ook het Groote Huijs afgebroken en vervangen door nieuwbouw aan de straat, die later wordt herbouwd en waaraan nog enkele huisjes werden toegevoegd, nu Provincialeweg 40-46.

De volksverhalen over koning Kyrië en zijn aardmennekes zijn opgeschreven door Jacques Cuijpers, hoofd van de lagere school in Zeelst, en van 1883 tot 1893 gepubliceerd in het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Taal- en Letterkunde. Meer over die volksverhalen met kabouters lees je in de 3-delige publicatie ‘Jacques Cuijpers, een veelzijdig meester’.

WIE WISTET?