Zoeken
Sluit dit zoekvak.

Dorpsgenoten

Jan van Beers

Voor de inwoners van Zeelst was Jan decennialang een vertrouwd gezicht. Als verzekeringsagent kwam hij vaak bij mensen thuis. Voortdurend op weg van en naar klanten -toen nog op de fiets!- was zijn aanwezigheid in het straatbeeld van het naoorlogse Zeelst vertrouwd en vanzelfsprekend. De meeste families kende hij persoonlijk, vaak meerdere generaties. Van velen kende hij de onderlinge verwantschap en het persoonlijke wel en wee. Gezegend met een ijzersterke gezondheid en een heldere geest werd hij met het stijgen der jaren een unieke bron voor de geschiedenis van Zeelst.

Temidden van zijn Zeelsterse vriendenclub van toneelclub Onderling Kunstgenot en voetbalclub UNA in 1950.

Op de fiets naast wereldkampioen ploegen Rinus Schoonen in 1968.

Jan van Beers, Van verzekeringsman tot journalist en over het volkstoneel

Johannes, Joseph van Beers wordt op 4 maart 1919 geboren in Meerveldhoven. Als hij in 1950 trouwt met de Zeelsterse Henrika (Riek), Maria van Beek, verhuist hij naar het Muggenhol in Zeelst. Hij gaat er inwonen bij zijn schoonmoeder Johanna. Jan en Riek krijgen drie kinderen: Jan, Marian en Hans.

Jan van Beers en Riek van Beek op weg naar de kerk om te trouwen. Op de achtergrond het huis van Keeris tegenover de kerk.

Na de lagere school gaat de dan dertienjarige jongeman intern, op  kostschool: het Juvenaat Eikenburg in Eindhoven. Dat zal duren tot 1938.

Op eigen benen
Als Zeelst in 1939 aan de vooravond staat van de Duitse inval en de Tweede Wereldoorlog aanstaande is, vangt het arbeidzame leven van Jan van Beers aan. In deze onzekere tijd vormt sigarenfabriek Velasquez daarbij de springplank. De afdeling expeditie is een jaar  lang ’t eerste werkterrein van de jonge twintiger. Zijn vader heeft een flink zaadagentschap aan huis en doet verzekeren er als bijverdienste bij. Hij komt bij bijna alle boeren in Zeelst en Meerveldhoven over dun herd en brengt zijn zoon de eerste kneepjes bij.

Na amper een jaar wordt het hem te heet onder de voeten, vanwege de oproep voor tewerkstelling in de oorlogsindustrie van Duitsland. Hij duikt zoals velen in die tijd onder. Pas als de oorlog goed en wel voorbij is, worden verdere plannen uitgevoerd en werkt Jan gestaag aan de opbouw van z’n klantenbestand. In 1948 worden de levensverzekeringen overgenomen van een ander agentschap in Veldhoven. Het dossier bevat maar liefst driehonderd gezinnen. In 1963 wordt verhuisd naar het adres Hoogstraat 6. Het eigen verzekeringsbedrijf is dan een stabiel feit; Jan heeft intussen meer dan genoeg verstand van verzekeren. Begin 1970 krijgt het bedrijf bovendien een nieuwe impuls, als er in de Hoogstraat huizen worden bijgebouwd. Het bedrijf richt zich nu behalve op Assurantie ook op Hypotheek.

Statig door de Veldhovense dreven
Wie kent de statige en vitale man niet, die op zijn fiets door voornamelijk Veldhovense dreven rijdt, maar ook wel daarbuiten. Decennia lang, vrijwel dag in dag uit herhaalt zich dat beeld. Voor iedere passant is er een groet. Hij kent immers bijna iedereen.

Men noemt hem ook wel ‘het archief van Zeelst’, omdat onze geschiedenis hem in het hoofd gegoten zit. Jan beschikt over  een uitstekend geheugen en is daarnaast kundig en betrokken. Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, zijn er ook nog z’n journalistieke kwaliteiten. Iemand met zijn penvaardigheid is natuurlijk aantrekkelijk voor de krant enerzijds en anderzijds voor het verenigingsleven.  

Leven in de brouwerij
Ambtenaar van de Burgelijke Stand Frans van de Weijden wil zo vlak na de oorlog een verse impuls geven aan het verenigingsleven. Hij stelt Jan van Beers voor, om lid te worden van de Veldhovense Motorclub, die zopas is opgericht in café ‘de Reizende Man’ aan de Provincialeweg (waar in 1948 ook Wielerclub Tempo wordt opgericht). Na een eerste ontwijkende antwoord, in de trant van ‘ik kan helemaal niet motor rijden en wil dat ook niet’, weet de ambtenaar hem toch te strikken. Niet om een motorvoertuig te besturen, maar de club zelf. Hij aanvaardt de bestuurlijke dubbelfunctie van secretaris/penningmeester. Van Beers zal op die manier een hele tijd lang de administratie bijhouden van deze stoere mannenclub.

Ginnen bangerik’
Met zo’n man of tien wordt op een gegeven moment een motor aangeschaft. In de Sint  Willibrordusstraat staan dan nog geen huizen. Daar, in het weiland dat eigendom is van ‘Sjannètje’ Bazelmans, vinden met vallen en opstaan de eerste oefenwedstrijden plaats. Deze raken vooral bekend onder de naam ‘grasbaanraces’. Martien Raaijmakers is ook van de partij. ‘Bultje’ is ginnen bangerik. Op een keer komt hij vol trots op de motor aanrijden. Het hoofd van de motorduivel gaat verscholen in een veel te royale helm. Je ziet het manneke van toch al niet al te grote afmetingen ternauwernood zitten. Maar gas geven kan ie wel. Teveel zelfs. De gashendel wordt met geweld verder opengedraaid, dat kan iedereen horen. Maar iedereen kan ook zien, dat onze coureur in wording prompt over wat oneffenheden in het terrein stuitert en pardoes voorover van de motor duikt. Prikkeldraad en palen vormen geen hinderlijk opstakel. Ze worden rakelings gemist. Tot ieders hilariteit, belandt de held op sokken tenslotte op zijn kop in het weiland. Met zowel Martien als de motor niks aan de hand. Alles blijkt nog heel te zijn.

Verslaggeving
Jan van Beers verzorgt onder meer de voetbalverslaggeving voor Dagblad Oost−Brabant, de (toenmalige) katholieke tegenhanger van Eindhovens Dagblad waarvoor Wim van Mol uit de Hoogepat schrijft. Over die periode: “Als ik mijn verslag van UNA gemaakt had, dan bracht ik dat ’s avonds op de fiets naar Eindhoven. De verdiensten? Ze betaalden 4 cent per regel. De sportredactie kortte het stuk meestal aanzienlijk in. Bij UNA kreeg ik dan op maandag het verwijt te horen: ‘Er stoa wir niks in’. Redacteur Wich verzocht mij ook wel eens, om namens hem een stuk te schrijven, als hij eens verhinderd was. Dan kwam toch Wim’s naam boven mijn pennevruchtente staan”, zo klinkt het een beetje verzuchtend.

In de boevenwagen
Een ongelukkig voorval vindt plaats in de vroege schemer van een zondagavond in oktober, ergens in de jaren vijftig. ‘Onze journalist’ is, voor het inleveren van het krantenverslag van de wedstrijd UNA−Tivoli, op zijn Solex onderweg naar de Keizersgracht in Eindhoven. Bij het café van Bal van Gennip in Gestel wordt hij aangereden door twee jongelui op racefietsen. Er zal blijken, dat hij daarbij zijn rechterbeen heeft gebroken. Terwijl Jan midden op de wegsplitsing ligt, stroomt het volk toe. Even later verschijnt er – tegelijk met de ambulance – ook een boevenwagen. Op het verzoek van de ziekenbroeder van de ambulance – wiens voertuig nodig is bij nog een ander ongeluk – gaat Jan in de boevenwagen naar het ziekenhuis. Dat zal voor ’t eerst en het laatst zijn. Aan het ongeluk zit nog een flinke staart. Zeven maanden later, in mei, kan hij zijn voet pas voor het eerst weer in de schoen wringen. Een half jaar lang tjoept hij thuis in het rond. Geluk bij een ongeluk: Harrie Tops, zwager Harrie van Beek en Harrie Gooskens halen een tijd lang de verzekeringspremies op. Zo komt er toch brood op de plank.          

Wurgende greep van de geestelijkheid
Jan van Beers herinnert zich van die tijd, dat de katholieke geestelijkheid zowat overal zijn wurgende greep op heeft of wil hebben. Of dat nu is bij de oprichting van een vereniging of bij de toestemming om ergens een uitvoering te geven met de toneelclub. Maar eigenlijk gebeurt het bij elk evenement en bij iedere verandering die er plaatsvindt in het dorp, op welk gebied dan ook. Zo is het verhaal bekend dat Zeelst onder de naam Platzakken tegen de Katten voetbalt in Antwerpen. Weken daarna presteert de pastoor van Zeelst het om vanaf de spreekstoel van zijn ongenoegen blijk te geven met het verwijt dat ‘de dames’ zich te vrij hebben gedragen door in België op het podium te klimmen. Maar het kan nog erger: een jaar later komen de Antwerpse Katten naar Zeelst. ‘Die van ons’ mogen als sanctie het eigen veld echter niet op van de pastoor. Er wordt noodgedwongen uitgeweken naar NOAD in Strijp. Wat de toneelclub betreft, is opvallend dat de pastoor bij elke voorgenomen uitvoering eerst inzicht eist in het toneelboekje, alvorens al dan niet het licht op groen gaat.

Retraite
Tijdens de mobilisatie in 1939 op de retraite, welke voorafgaat aan de keuring voor militaire dienst, ontsnapt Jan zelfs maar ternauwernood aan een opleiding tot pastoor. Veel jongemannen zijn dan door de plaatselijke geestelijkheid al zover bewerkt en onder druk gezet, dat ze er welhaast van overtuigd zijn in het Rijke Roomse geestelijke leven terecht te zullen komen; roeping of niet. De retraite vormt ook een soort van inleiding richting het volwassen leven. Met erin verpakt, een waarschuwing voor de verleidingen van dat leven, met name de vrouwen. Jan: “We kwamen in Venlo aan bij retraite−oord Manresa, dat op een heuvel stond. Ik weet nog dat Goort Senders en Jan van de Ven (Klaassen genoemd) na het uitstappen weg liepen en een café indoken. Wijzelf werden meteen bij binnenkomst op bidstoelen geplant om er twee minuten te bidden. Dat begon goed! Nadat we onze spullen in de kamers – in feite waren het niet meer dan cellen – hadden achtergelaten, ging het richting de kapel. Daar aangekomen bleek dat intussen ook Goort en Jan waren gearriveerd. Die kregen meteen de volle laag van de Pater, die zich tot Goortrichtte en hem toe beet: “Waar kom je vandaan?”. De niet bang uitgevallen Zeelstenaar is er niet zo van onder de indruk getuige het antwoord: “We ware muug en moeste twee keer ruste onderwege”. De ‘opleider’ is kennelijk niet gewend aan dit soort brutaliteit en raakt er zowaar geestelijk van in de war. Een passende reactie zit er efkes nie in.

Bekant pastoor
Om kennelijk alvast maar aan het idee te wennen, hijst men toekomstig ‘pastoor’ Jan van Beers op een gegeven moment zelfs in een pastoorsjas, met maar liefst zesendertig knoopjes! Maar bij het dichtmaken van het eerste ’t beste knoopje, krijgt Jan het al te benauwd. Tot hier en niet verder, denkt onze jongeman, die dan nog maar negentien is en amper aan de retraite is begonnen. Jantje weigert koppig verdere medewerking, gaat met zijn vader weer op huis aan en sluit dat hoofdstuk resoluut en voor altijd af. Voor hem geen geestelijke roeping. Veel anderen uit Zeelst hebben een soortgelijke ‘bijna geestelijke’ ervaring.

De jonge mannen massaal op retraite in Venlo, Huize Manresa. De geestelijken van heel Veldhoven (voorste rij) gaan mee. We herkennen o.a. helemaal rechtsvoor Driekske Senders (de postman, vader van Januske) en Jan van Beers, tweede rij van boven, 3e van rechts.

Gloednieuwe ‘Fahrrad’ kwijt
Op 10 mei 1940 fietst Jan ’s morgens al heel vroeg, op z’n gloedjenieuwe fiets – een Magneet van zijn ouders gekregen en de dag ervoor gekocht bij fietsenmaker Nol van Herk – vanuit zijn thuis in de Broekweg naar de Provincialeweg. Daar is het al druk van de mensen. Ze komen af op de geruchten dat er troepen buitenlandse soldaten in aantocht zijn. Dat blijkt te kloppen. Deze trekken vanuit ‘de Langendijk’, en met paarden en fietsen, Veldhoven binnen. De paarden hebben ze onderweg uit de weilanden van het Broek meegenomen. Daarnaast ook een aantal transportfietsen van de boeren die er ’s ochtendsaan het melken zijn. Het blijkt geen waarschuwing voor onze jonge Jan. Hij wil erbij zijn, alles goed zien. Voordat hij er goed en wel erg in heeft, staat er achter de doorgaans zo wakkere jongeman opeens een kleine militair met een revolver in de aanslag. Deze schreeuwt hem “Fahrrad haben” in de oren. De ‘Adelaar’ op het tenue van de Duitser maakt Jan klaarwakker. “Eerst wisten we niet eens of het nou Duitsers of Fransen waren, we verstonden ze niet.” “God, het zijn de moffen”, zo schiet het nu door zijn hoofd. Hij is het haasje, evenals overigens veel andere ‘kijkers’, en er zit niks anders op, dan snel het gekoesterde bezit aan de bezetter afstaan.

Listige dorens en bloeiperiode      
Niet zelden worden dorpse ontwikkelingen door de geestelijkheid lelijk gedwarsboomd. Dat gebeurt bijvoorbeeld ook bij de oprichting van een toneelvereniging. En, zoals in dit geval, ook bij een fusie als die van Onderling Kunstgenot met De Jonge Werkman van het Patronaat. Terwijl – zo blijkt achteraf – de instemming van het Bisdom er nota bene al lang ligt, doet de pastoor halsstarrig alsof hij nog altijd in afwachting is van berichten vanuit het episcopaat. Zelfs voor de uitvoering van een nieuw stuk is er goedkeuring nodig. Dat kost dag in dag uit de nodige kruim.

De Jonge Werkman fuseert met Onderling Kunstgenot. We zien o.a. Cor Senders, vooraan 3e van rechts, Jan van Beers (bestuurder), 2e van links en Martien van de Linden (broer van Leentje) achteraan 6e van links.

Toch beleeft Jan als secretaris en acteur van zijn toneelvereniging – met als domicilie het café van Piet en later Bert van Keulen – veel plezier. Het gezelschap en de verwikkelingen er omheen vormen een bron van veel plezier, onderlinge samenhang en mooie voorvallen. In dikwijls roerige tijden trouwens, want O.K. wordt al opgericht in 1925 en het kent veel periodes met ‘listige dorens’ (jubileumboek 1950), waaronder branden, de crisistijd en de oorlog. In die oorlog eist de bezetter aanmelding bij de ‘Kulturkammer’. Onderling Kunstgenot weigert en besluit uiteindelijk tot algehele stillegging van de toneelactiviteiten.

Toneelvoorstelling van Onderling Kunstgenot bij Pietje van Keulen.

Acteur kwijt
Leuke voorvallen zijn er zat te melden. Zoals die keer bij een optreden in Oerle. Onderling Kunstgenot is op een avond uitgenodigd in café Ciske de Kuiper, die in werkelijkheid overigens Franciscus Hagelaars heet. Het is een klein café, waar ongeveer zeventig tot tachtig man zit samengeperst op planken, die over biertonnen heen zijn gelegd. Het is volle bak. Onderling Kunstgenot geeft er twee gratis uitvoeringen ten behoeve van de plaatselijke Herwonnen Levenskracht. Na het eerste bedrijf maakt men zich op voor het vervolg. Eerst is er een aanpassing van het decor nodig.  Intussen ontdekt men dat Haiske van Laarhoven – verantwoordelijk voor de opbouw van het toneel – en Piet Senders, één van de acteurs die pas na de changementen voor het eerst het toneel op moet, ontbreken. Aanvankelijk maakt men er zich met een smoesje vanaf. Kroegbaas Ciske krijgt te horen dat één van de toneelspelers ziek op de wc zit; maar het zal wel goed komen, zo wordt beloofd. Hoe men vervolgens ook zoekt, het duo  blijft onvindbaar. Jan van Beers krijgt de opdracht om eens verder in Oers rond te kijken. Uiteindelijk vindt hij zijn collega’s… jawel, in een andere kroeg, namelijk die van Jan van de Looy. Na enig debat gaan ze mee en zo komt alles nog vur mukkaar. Wat Ciske de Kuiper ervan vindt? Ciske ligt er helemaal niet wakker van. In tegendeel, hij kan op deze manier flink wat meer tappen voor het dorstige publiek.

Vrienden van toneelclub Onderling Kunstgenot en voetbalclub UNA. Achter v.l.n.r. Martien v.d. Linden, Jan van Oorschot, Cor Senders, Nol Louwers en Corrie Senders. Voor: Nol Scheepers, Jan van Beers, Piet v.d. Berk en Martien Keeris. De foto is een kado van ‘de vrienden’ bij gelegenheid van het huwelijk van Martien Keeris.

De vliegclub en Willem
Dan is er in die tijd nog de vriendenclub van Jan van Beers. De groep trekt veel met elkaar op. Hun voorvallen en belevenissen zijn smeuïg en talrijk. Er wordt wat afgehuild en gelachen. Uit z’n ijzersterke geheugen put Jan ook het prachtige verhaal van deze vrienden over Willem van Hout. Dat zal de geschiedenis ingaan als de komedie rondom de zogenaamde vliegclub. Het is 1952. ‘Onze Jan stond nog in de box’, zo weet Van Beers zich te herinneren. Het begint allemaal bij ‘de Zusters’, waar de ouden van dagen wonen. Willem van Hout is er ook zo’n bewoner op leeftijd. De vrijgezel is afkomstig uit Oerle. Smalend wordt hem door Zeelsterse mensen dikwijls aangewreven dat ie uit de knijnenbond afkomstig is. Waarop de oud Oerlenaar zijn eer tracht te redden, door te snoeven over zijn vele vetleren middallies. Jan en Siraar de Wit (junior) die eerder al in dit boek aan het woord kwamen, weten zich de vrijgezel, die als ‘gekke Willem’ door het leven gaat, ook zeer wel te herinneren. Jan: “Hij woonde eerst in un klèn hûiske neffeCiske de Kuyper”. En Siraar:“Als we hem een schuimspaan voor de mond hielden, begon hij spontaan te zingen, meestal het bekende lied Sancta Lucia”. Willem laat zich steevast bij Pietje van Keulen scheren. Daar hebben andere mensen hem op een zaterdag met het verhaal lekker gemaakt dat het mogelijk is om een keer in een straaljager te vliegen. Als dit idee enkele van ‘de vrienden’ ter ore komt, gaan ze er grif op in. ‘Moeder Overste vindt het wel goed’, zo beweert Willem. Ze geven hem het advies, om naar Jan van Beers te gaan. ‘Die wit wel hoe dè moet, want die is van de krant’, zo luidt het advies. Met de andere leden van de vriendenclub verenigen ze zich spontaan in het complot: Bert van Keulen, Jan van Beers en Tinus Verberne, die een speciaal lied zal schrijven. Maar ook Adriaan de Bont, houder van het postkantoor. De laatste belooft om het contact met de vliegwacht te onderhouden. Om de twee dagen zal hij namens Van Hout ‘de weerfabriek’ bellen. Zo gaat het vliegcomité soepel van start. De afspraken zijn duidelijk, de taken strak verdeeld.  

Volgens afspraak meldt Willem van Hout zich um d’unandersten dag bij Adriaan de Bont aan diens loket. Terwijl de vrijgezel zelf, langs de belendende boerderij van Verberne breeduit op het pad gaat staan en de lucht naar vliegbewegingen aftuurt, doet de Bont zijn plicht. Hij belt zogenaamd naar de luchtmacht. En altijd luidt het antwoord, dat het vliegtuig niet kan opstijgen; het weer zit dikwijls tegen.

Uit ‘Die van Zilst, een onbuigzaam volk’  door Thieu Vlemmix, 2010

Meer dorpsgenoten

Dokter Frans Raymakers

Bijna 45 jaar heeft deze kundige, zeer geziene man in Veldhoven en verre omgeving ontzettend veel werk verricht tot heil van zijn patiënten.

’t Misterke van Oerle

Een legendarische persoon uit Oerle in de 20e eeuw is ’t Misterke. Klein van stuk, maar groot van waarde.

Piet de Jong

Legendarische ‘sheriff’ van Zeelst: direct, doortastend en niet bang om bendes aan te pakken.

Cees Sleegers

In z’n eentje biedt hij zes uur lang tegenstand aan naar verluidt vierhonderd Duitse militairen.

Pietje van Keulen

De barbier van Zilst. Recht door zee, maar niet altijd gemakkelijk voor zijn omgeving.

Janus van der Velden

Kleurrijk ondernemer. Van al zijn ondernemingen is Janus nooit echt rijk geworden, maar rijk als mens des te meer.

Janus Hagelaars

Engelandvaarder en een van de eerste Nederlandse commando’s.

Jan Segers

Veldhovense schilder die veel dorpsbeelden uit het verleden vastlegde.

Piet Rijkers

Als je ‘het Zilster Volkslied’ zegt, dan zeg je Piet Rijkers.