In het museum De Dorpsdokter kwamen we ogen en oren te kort voor de bonte verzameling medische instrumenten en aanverwante zaken uit 200 jaar eerstelijnshulp. Een doktorspraktijk natuurlijk, maar ook een apotheek, drogisterij, tandarts, vroedvrouw en fysiotherapeut. In een voordracht werd aan de hand van enkele bijzondere medische instrumenten de ontwikkeling van de geneeskunde geschetst.
De wandeling door het historische kern van Hilvarenbeek liep van molen De Doornboom naar het Vrijthof. Onderweg namen we een kijkje in Brouwerij De Roos. Op het Vrijthof aangekomen hadden we op de kiosk mooi zicht op de karakteristieke omringende panden. Onder de enorme eeuwenoude lindeboom werd de legende van de jongen met de doornstok verteld. Bij de Beekse Toren hoorden we over zijn kwetsbaarheid, de worst van Klara en de symbolen in de zijgevel. En tenslotte namen we binnen een kijkje in het erfgoedzoldertje.
Hieronder een foto-impressie (klik op de foto’s voor een grote weergave) en verslagen van de voordracht in het museum en de wandeling door het dorpshart.
Museum De Dorpsdokter
In de jaren 1970 raakte de schorsmolen van Hilvarenbeek (intussen buiten gebruik) in handen van dorpsdokter Harrie Ruhe. Hij richtte er een kleine ‘Oudheidkamer’ in met zijn privécollectie, waaronder medische instrumenten. Deze collectie kreeg de naam De Schorsmolen. Samen met de collectie van de heemkundige kring vormt dit begin jaren 80 de basis voor Museum De Dorpsdokter, dat in 1986 haar deuren opende. In de loop der jaren is het museum uitgebreid met de molenaarswoning en nieuwe ruimten voor vroedvrouw, tandarts, EHBO, fysiotherapeut en drogist. In 2019 is op de bovenverdieping de expositie ‘Brabantse dokters’ toegevoegd.
Skelet
Bij binnenkomst sta je meteen in de praktijkruimte met een in het oog springend skelet. Alle in het museum tentoongestelde instrumenten en andere voorweroen zijn gebruikt en authentiek, zo ook het skelet. Dat is van Piet Stams, een patiënt van dokter Jan Bloemen uit Tilburg.
Piet Stams
Piet Stams was een geliefde sjacheraar en lompenkoopman uit Tilburg (1851-1914). Een anekdote over Piet beschrijft dat hij placht aan te bellen bij een boerderij en zich dan omdraaide en zei: “Kun je lezen wat die kinderen op mijn rug hebben geschreven?” En als de boerin dan voorlas: “Wil je vandaag mee eten?” zat Piet al aan tafel.
Toen Piet op latere leeftijd ziek werd, kwam hij bij dokter Bloemen terecht. Die kon hem in eerste instantie niet helpen omdat Piet geen geld had om de doktersrekening te betalen. Piet kwam toen op het lumineuze idee om zijn lichaam aan de huisarts ter beschikking te stellen als hij zou komen te overlijden. Dr. Bloemen ging akkoord en heeft hem behandeld. Dankzij of ondanks zijn behandeling heeft Piet nog vier jaar geleefd. Het skelet van Piet heeft daarna jarenlang in de praktijk van Dr. Bloemen gestaan. Kinderen hadden er altijd schrik voor. Toen Dr. Bloemen met pensioen ging, hebben zijn kinderen het skelet op zolder gezet, maar het werd weer tevoorschijn gehaald bij feesten en partijen. En in de kerst stond het met kerstlichtjes behangen in de tuin.
Nu is het skelet eigendom van het museum. Aanvankelijk werd het door de familie in bruikleen gegeven, maar op een gegeven moment wilden ze een ander aandenken aan het museum. Dat werd een plaquette bij het skelet.
Ontwikkeling van de geneeskunde
De geschiedenis van de geneeskunde begint in Europa bij Hippocrates, een Griekse arts, die circa 400 jaar voor Christus op het eiland Kos leefde. En hij was de eerste die aangaf dat het niet zo kon zijn dat alle ziekten door goden en demonen werden veroorzaakt. Er moest een natuurlijke oorzaak voor zijn en die zou je ook met natuurlijke middelen moeten bestrijden. Later is dat bevestigd door Galenus van Pergamon uit West-Turkije, circa 100 jaar na Christus met de zogenaamde humorenleer of vier-sappenleer.
In die tijd dacht men dat ergens op de plaats van je hart een vuur brandde en de warmte door je oren en je mond naar buiten kwam. En dat het bloed werd verwarmd door het vuur en stroomde als eb en vloed. Maar men kon het simpelweg niet verklaren.
Vier-sappenleer
De vier-sappenleer ging ervan uit dat het lichaam bestaat uit de sappen bloed, gele gal, zwarte gal en slijm. En de samenstelling van die sappen bepaalt wie je bent en je gemoedstoestand.
Bij een verstoring van het evenwicht tussen die sappen ben je ziek, was het idee. We kennen daar nog enkele uitdrukkingen. Een sanguinisch iemand is iemand die veel sanguis (bloed) heeft, opgewekt en actief is. Het cholerische type (gele gal) is energiek en driftig. Ben je melancholisch (zwarte gal), dan ben je zwartgallig, serieus en gevoelig. En ben je flegmatisch (slijm), dan ben je kalm en stabiel.
De vier-sappenleer blijft tot de 19e eeuw bestaan. De temperamenten worden soms nog gebruikt in populaire psychologie, al is de medische basis ervan allang achterhaald.
Middeleeuwen
Als je in de middeleeuwen ziek werd, dan konden er twee dokters aan je bed komen. De medicus, een opgeleide theoreticus, stelde de diagnose en de barbier-chirurgijn, de practicus en vaak ook kapper, deed de behandeling.
Om een diagnose te stellen, had men nog niet veel middelen. Een van de manieren om onderzoek te doen was het urineonderzoek, oftewel pis kijken. Is de urine troebel of helder? Wat voor kleur heeft de urine? Je kunt er voorzichtig aan ruiken of proeven. Als het zoet was, kon iemand suikerziekte hebben. Als het zout was, kon iemand een nierziekte hebben. Er is een mooi schilderij van Jan Steen: De Piskijker.
Chirurgijn-barbier
De behandeling na de diagnose werd gedaan door de chirurgijn-barbier en bestond eigenlijk uit twee methoden die beide uitgingen van die vier-sappen-leer: vocht afnemen (aderlaten) en inbrengen (klisteren – via de anus of laxeren – via de mond) om daarmee de balans te herstellen. Ook de menstruatie werd gezien als een manier om via de natuurlijke weg bloed en slijm kwijt te raken.
De chirurgijn-barbier deed de aderlating en hij behandelde ook wonden, gezwellen, botbreuken en trok tanden. De aderlating gebeurde met een speciaal mesje door een sneetje te maken in een ader. Dit scheermesachtige mesje heette een vlijm, waar ons woord vlijmscherp dus vandaan komt. De chirurgijn-barbier had mesjes en messen in verschillende maten. En zelfs een zogenaamd snapper met maar liefst twaalf mesjes.
Om het bloed sneller te laten stromen, werd gebruikgemaakt van koppen. Dat zijn glazen flesjes die werden verwarmd en daarna op de huid werden geplaatst, waardoor het bloed uit het sneetje werd getrokken.
De chirurgijn-barbier was trots op wat hij deed. Hij zette de potten met bloed in zijn etalage met witte doeken erbij. Dat is de oorsprong van de rood-witte barbierpaal, het symbool van de kapper.
Aderlaten kon ook gedaan worden met bloedzuigers, want die hebben in hun speeksel een bepaalde bloedverdunnende stof.
Klisteren gebeurde via de anus (en soms vaginaal) met tinnen spuiten in verschillende maten. Het werd ook gebruikt als anticonceptie.
Doopspuit
Een speciale vorm van klisteren gebeurde met de doopspuit. De katholieke kerk had destijds als uitgangspunt dat ongedoopte kinderen niet in gewijde aarde mochten worden begraven. Dat betekende dus dubbel verdriet voor de ouders, want het kind werd doodgeboren en mocht ook niet in gewijde aarde begraven worden. Dus werd een doopspuit bedacht. Die werd gevuld met wijwater en tijdens de bevalling vaginaal ingebracht om ervoor te zorgen dat het kind gedoopt was, als het ter wereld kwam.
Tabaksklister
De tabaksklister is een bizarre methode uit de 17e en 18e eeuw om bij verdrinking of bewusteloosheid mensen te reanimeren. De tabaksrook werd met een blaaspijp of balg via een buisje in de anus geblazen. Men dacht dat de tabaksrook het lichaam zuiverde, slijm losmaakte en ‘levenswarmte’ terugbracht.
In 1767 is de maatschappij tot redding van drenkelingen opgericht. Die hebben analen bijgehouden waarin honderden gevallen van tabaksklisteren beschreven worden. Zoals dat van een jongetje van een jaar of twaalf, dat in het water was gevallen. Hij werd er uitgehaald en het verhaal zegt: “Hij hield hem, terwijl de mond open was ondersteboven, rolde hem over een half vat en blies hem met een tabakspijp, den rook in het fundament (de kont). Het jongetje begon te bewegen, hij werd voor een vuur gezet om op te warmen en er werd een chirurgijn gehaald om te aderlaten”.
Mond-op-mondbeademing werd pas vanaf begin 20e eeuw toegepast.
Wetenschappelijke revolutie
Vanaf de 16e eeuw, tijdens de wetenschappelijke revolutie, begon men anders te denken. Meer theoretisch, men ging zelf nadenken, experimenten doen en kijken of men het kon verklaren.
De Vlaamse arts Vesalius was in de 16e eeuw de eerste patholoog-anatoom. Aan de universiteit van Padua hield hij anatomische demonstraties op menselijke lijken en beschreef de anatomie van het menselijk lichaam in boeken. Zo nauwkeurig dat ze bij wijze van spreken nu nog te gebruiken zijn.
In de 17e eeuw ontdekt William Harvey uit Londen de bloedcirculatie, aangedreven door het hart.
Nederlandse bijdragen
Er zijn ook Nederlandse bijdragen. Van Leeuwenhoek uit Nederland ontdekte de microscoop. Hij was de eerste die bacteriën en zaadcellen onder een microscoop zag. Het idee was toen nog dat iedere zaadcel een klein mensje bevatte. Dat bleek later niet zo te zijn. In dezelfde tijd ontdekt Reinier de Graaf de follikel in de eierstok ontdekt en eicel vastgesteld. De vier-sappenleer was in die tijd nog wel actueel, maar dat werd snel minder.
In de 18e eeuw brak de industriële revolutie uit door de ontdekking van de stoommachine, de trein en de fabrieken. Tot dan toe was Nederland een soort landbouwsamenleving, maar dat werd meer en meer een industriële samenleving. De mensen trokken naar de stad. Met alle nadelen van dien, want de stad was in die tijd een hele ongezonde plek. Er woonden veel mensen op een kleine ruimte en er was geen riolering. Er heerste cholera, pest, pokken, tyfus, noem maar op. De levensverwachting was niet hoog: 15% van de kinderen overleed in het eerste levensjaar.
Daarin kwam pas verandering door Thorbecke (1798–1872). Hij is degene geweest die de verbetering van de gezondheidszorg in gang heeft gezet, en ervoor heeft gezorgd dat er hygiënische omstandigheden kwamen en dat er riolering werd aangelegd.
Andere belangrijke ontwikkelingen in de gezondheidszorg
Anesthesie en narcose bestonden in de middeleeuwen niet. Had je een slechte ziekte dan moest vaak een ledemaat geamputeerd of een tand of kies getrokken worden.
In de Verenigde Staten ontdekte tandarts Morton voor het eerst dat zijn patiënten geen pijn voelen als hij ze ether toedient. Hij is daarmee de grondlegger van de anesthesie, het niet voelen van pijn, en er kon voortaan dus onder narcose worden geopereerd. Morton gebruikte een narcosemasker op mond en neus waar ether op gedruppeld werd.
Mondinfecties zorgden echter nog voor meer problemen. Een naam daarmee verbonden is die van Semmelweiss, met betrekking tot kraamvrouwenkoorts.
Semmelweiss studeerde in 1875 in Wenen. Tijdens zijn opleiding stelde hij vast dat er in het ziekenhuis, waar twee verloskamers waren, op de ene verloskamer nauwelijks en op de andere veel kraamvrouwenkoorts voorkwam met een hoog sterftecijfer als gevolg. Op de eerste verloskamer werkten vroedvrouwen en op de tweede verloskamer artsen in opleiding. Semmelweis kwam erachter dat de vroedvrouwen hun handen wasten met chloorwater. En dat de studenten, die rechtstreeks van de snijzaal naar de verloskamer gingen, bacteriën meebrachten die voor de kraamvrouwenkoorts zorgde. Aanvankelijk weigerde men zijn conclusies te aanvaarden, maar uiteindelijk werd duidelijk dat bacteriën de oorzaak van infectieziekten en wondinfecties waren.
Pasteur en Lister onderzochten het voorkomen van infecties door het steriliseren van instrumenten en het werken met antiseptische operatiehandschoenen. Flemming is de ontdekker van Penicilline voor de bestrijding van infecties. In Nederland wordt penicilline pas na 1945 op grote schaal toegepast.
Een Brabantse uitvinding is van militair arts Matthijssen uit Budel. Hij heeft voor het eerst gips gebruikt.
Volle dokterstas
Die dorpsdokter moest vroeger alles zelf doen. De medische specialist deed pas begin vorige eeuw zijn intrede. De chirurg was er iets eerder, eind 19e eeuw. Uit de chirurgie kwam de gynaecologie voort en later de internisten en een heel scala medisch specialisten.
Maar de dorpsdokter dus aangewezen op zichzelf. Hij hield geen spreekuur, had wel een apotheek, maar ging naar de patiënt toe. Hij nam dan een tas vol instrumenten mee. Zoals een centenvanger als kinderen een muntje had ingeslikt. Of een graatvangmachine om een visgraat of klein botje eruit te kunnen zuigen. Een stethoscoop en een verlostang. Voor mannen met incontinentie had hij een penisklem bij zich, en voor vrouwen met een verzakking een pessarium.
Anticonceptie
De Egyptenaren wisten al dat als je iets in de baarmoeder van een kameel brengt, de kameel niet zwanger wordt. Dus voordat ze de woestijn in gingen, brachten ze stenen aan in de baarmoeder van de kameel. Dat is eigenlijk het principe van het spiraaltje. In het begin werden die met koper ontwikkeld, maar dat bleek echter dodelijk. Tegenwoordig worden ook hormonale spiraaltjes toegepast waarmee de kans op zwangerschap duidelijk wordt verminderd.
Schapendarm werd gebruikt als condoom. Na gebruik werd dat gewassen en gewoon opnieuw gebruikt. Het museum beschikt over een originele condoomdroger. In de jaren 30 werd het eerste vrouwencondoom van latex in Nederland geïntroduceerd.
Pincus uit de VS introduceerde in 1962 de anticonceptiepil die in Nederland door Organon op de markt is gebracht. Organon was gevestigd in Oss, destijds de katholieke gemeente, dus moeders vonden het maar niks dat hun dochters de pil moesten inpakken. Daarom heeft Organon dat een tijdje uitbesteed aan de nonnen. Op verzoek van familie van de nonnen werden later ook studenten ingezet, met als gevolg dat een deel van de voorraad kwijt raakte.
Bisschop Beckers heeft voor een verandering in het denken over anticonceptie gezorgd. In het tv-programma Brandpunt in 1963 zei Beckers dat de pil wel mocht worden gebruikt om de cyclus te reguleren, de menstruatie te reguleren. Dit was een breuk met het officiële katholieke standpunt, en had grote invloed op het maatschappelijk debat.
Een ander anticonceptiemiddel was vaginale irrigatie met een zogenaamde vrouwenspuit met een zeepsop oplossing. Of een vaginale spoeling met een soort bidet in de kelder. Maar of dat effectief is als je vanuit het bed eerst naar de kelder moet?
Indeling museum
Op de bovenverdieping in het museum worden enkele Brabantse dokters belicht en vind je de apotheek uit Heusden uit 1785. Verder staat er een drogisterij uit Breda, de fysiotherapie met enkele werktuigen van Metzger, de tandarts, de wijkverpleging met primitieve beademingsapparatuur en couveuses, de verloskundige met een aantal borstpompen en kandeel glazen.
Ook is er een tentoonstelling over het aanroepen van heiligen bij ziekte. Het meest bekend is Blasius. De legende vertelt dat Blasius een kind redde dat dreigde te stikken in een visgraat. Vandaar zijn patroonheerschap over keelziekten. Bij een Blasiuszegening worden twee kaarsen in kruisvorm tegen de keel van de gelovige gehouden, met het gebed om bescherming tegen keelaandoeningen. Er worden ook exvoto’s getoond. Exvoto betekent “volgens de gelofte” en is een voorwerp of geschenk dat aan een heilige of God wordt aangeboden uit dankbaarheid. Vaak in de vorm van zilveren of houten hartjes en miniaturen van genezen lichaamsdelen die werden opgehangen in een kerk of kapel.
De wandeling
Molen
Molen De Doornboom is een beltmolen of bergmolen en stamt uit 1857. Er wordt nog wekelijks gemalen en dan is de molen ook opengesteld voor publiek. De bakker heeft een speltveld in Diessen. Dat Hilverspelt wordt in deze molen gemalen en verwerkt in streekproducten zoals Hilvermik en brood voor de Hulperstoet, de lokale processie- of folkloristische optocht.
De molen is fraai gerestaureerd en aangekocht door de gemeente. Er zijn drie molenaars werkzaam. Het aantal opdrachten neemt toe, dus wordt er nu ook soms op woensdag gemalen. In de winter worden er cursussen gegeven aan molenaars uit de regio.
Legende
Aan de achterzijde op de molen staat een windvaantje: een mannetje met een stok. Een oude volksvertelling gaat over een jongeman met een doornstok die eens binnenliep bij herberg De Hemel. Hij had een prachtige bos met krullen en een muziekinstrument op z’n rug. Hij vroeg of hij wat kon eten en kon overnachten. “Dat treft” zei de herbergier, “er is vanavond een feest. Als jij dan speelt voor ons, krijg je nu vast eten en kun je straks ook blijven slapen.” Zo gezegd, zo gedaan. De jongemannen met die mooie krullen kon prachtig muziek maken en was meteen populair bij de meisjes. Diederik, de brouwerszoon, bekeek het jaloers aan en bedacht een plan. Hij stopte de beurs van de herbergier in de plunjezak van de jongeman. De volgende morgen ontdekt de herbergier dat hij bestolen is en wordt de beurs in de plunjezak van de jongeman gevonden. Op de Vrijthof wordt hij berecht en ter dood veroordeeld! Om het vonnis te voltrekken gaat iedereen naar het Goudenveld, waar de rechter vraagt of de jongeman nog wat wil zeggen. “Ik heb het echt niet gedaan” zegt hij, “en dat wil ik bewijzen”. Een van de rechters liep met een doornstok. “Als ik die doornstok in twee keer over heel Hilvarenbeek gooi, dan zal daar een doornbos uit de grond komen”. En inderdaad aan de andere kant van Hilvarenbeek groeide er vervolgens een doornboom. Dat is ook de naam van de molen van Hilvarenbeek. Desalniettemin wordt de jongeman toch ter dood veroordeeld.
Brouwerij De Roos
Vroeger waren er aan het Vrijthof veel brouwerijen. In de middeleeuwen wel een stuk of vijf. Water was van slechte kwaliteit, men dronk bier. In 1900 waren er nog twee over, waarvan er een is afgebrand.
Het pand van brouwerij De Roos stamt uit 1775. Het was eerst een boerderij met een boomgaard. Joseph Marjoie, een kolonel uit het leger van Napoleon, kocht de boerderij voor zijn zoon, vestigde zich hier en vocht vervolgens tegen Napoleon. Zijn zoon heeft de boerderij verbouwd tot een brouwerij.
Er werd bovengistend bier gebrouwen. Maar in 1933 stopt men ermee, want pils kwam in in opkomst en daar had je grote koelapparatuur voor nodig. De Leijer, de toenmalige eigenaar, had ook een brouwerij in Boxtel. Daar werd wel koelapparatuur aangeschaft om pils te kunnen gaan brouwen. Wel bleef hier alle apparatuur staan om in de toekomst ook pils te kunnen gaan brouwen. In het winkeltje van de brouwerij werd de pils uit Boxtel verkocht.
Doordat de oorlog uitbrak is er niks meer terechtgekomen van het brouwen van pils. Het pand is jarenlang slechts als opslagruimte gebruikt.
In 1990 kwam de kleinzoon van De Leijer hier wonen en ging eens kijken wat er eigenlijk was opgeslagen. Er bleek nog alle benodigde apparatuur voor een complete brouwerij te staan. De brouwketels en het koelschip waren er nog. Met subsidie van de gemeente werd een klein, nieuw brouwerijtje opgezet om geld te genereren voor een volledige restauratie van de brouwerij. En die is nu al enkele jaren in bedrijf. Verdere uitbreidingsplannen zijn niet mogelijk. Wel wordt het Brouwershuis met een mooie binnenplaats, nu nog privébezit, er nog bijgetrokken. Waardoor het straks een mooi museum aan de Vrijthof wordt.
De brouwerij heeft een professionele brouwer en een aantal vrijwilligers. Er wordt twee, drie dagen in de week gebrouwen. De brouwerij is het hele jaar door in het weekend, en voor groepen ook op afspraak, open. In de zomer, vanaf mei tot 1 oktober, ook dagelijks van woensdag tot en met zondag.
Er kan 1000 liter per keer worden gebrouwen. Sinds een jaar of vijf beschikt de brouwerij over een eigen hopveld, voorheen de tuinderij van een van de vrijwilligers. De hopteelt is vooral voor eigen gebruik, maar er wordt ook hop verkocht. In augustus en september komen er veel vrijwilligers de hop plukken.
Vrijthof
Hilvarenbeek is ontstaan door twee beekjes aan weerszijde van het Vrijthof. Die waren er vroeger heel veel, want het was een natte regio. De kerk stond op een hoger gedeelte. Hilvarenbeek had een echte boerenbevolking, er stonden kleine boerderijtjes aan de Vrijthof met daarachter de gemeinde gronden, die gezamelijk ontgonnen werden. De boeren hielden ook vee. Overdag ging men met het vee naar de beekdalen in de buurt. Daar kon het vee grazen en er was water. De mensen hier waren dus zelfvoorzienend.
Op een zeker moment ontstond er een de handelsroute van Antwerpen, Turnhout naar Keulen. Hilvarenbeek lag aan die route, dus kwam er veel volk over de vloer. Kleine ambachtslieden met paard en wagen. En die moesten ook allemaal eten en overnachten. Op economisch gebied ging het goed in Hilvarenbeek. Op kerkelijk gebied was Hilvarenbeek al best lang belangrijk. Rond 1157 werd de kerk een kapittelkerk; Hilvarenbeek kreeg daarmee een deken en groeide uit tot een belangrijk religieus centrum in Brabant. Eigenlijk is het een belachelijk grote kerk voor een klein plaatsje als Hilvarenbeek. Maar de kanunniken wilden daarmee laten zien dat ze het voor het zeggen hadden.
Er was ook een Latijnse school. Veel jongelui van deze school studeerden door in Leuven om daarna weer terug te keren. Er ontstond een hele culturele bovenlaag. Hilvarenbeek veranderde. Toen de handelsroute wegviel, werd het dorp weer teruggeworpen op de boerenstand. Dat heeft geduurd tot 1900, want toen is de kunstmest uitgevonden en kon het land op grote schaal ontgonnen worden. Er ontstond weer meer activiteit en kwam er daardoor ook een tramverbinding van Tilburg naar Turnhout. Maar die ontwikkeling stopte korte tijd later weer doordat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In de eerste helft van de vorige eeuw veranderde er niet veel.
Na de Tweede Wereldoorlog zei de toenmalige burgemeester; “We houden het klein, we houden het Biks”. Geen grote industrie, maar liever kleinschalige bedrijvigheid. En dat is eigenlijk ook best wel zo gebleven.
Er zijn wel een paar grote bedrijven, zoals Reijrink Staalconstructie die naar Engeland en Amerika exporteert, en wat kleinere bedrijven, maar Hilvarenbeek is vooral een forensendorp waar de mensen wonen en elders werken.
Festiviteiten op het Vrijthof
Van oudsher werd er veel georganiseerd op de Vrijthof. Vroeger ‘de Groot Kempische Cultuurdagen’ met een wagenspel waar ook omringende plaatsen (ook uit België) aan deelnamen. Op YouTube zijn er nog filmpjes van te bekijken. Een ander groot festival was de ‘Bikse Fiste’, maar ook dat werd te groot en ging ten onder aan zijn eigen succes. Daarna werd het ‘Elastiek’, maar ook dat is gestopt.
In de zomermaanden is er elk weekend wel wat te doen op het Vrijthof. En in de tweede week van september organiseert Brouwerij De Roos het bierfestival pROOSt met de uitverkiezing van het beste bier van Brabant.
De lindebomen op het Vrijthof zijn geplant in 1925 toen koningin Wilhelmina 25 op de troon zat. De grootste lindeboom is 350 jaar oud en wordt al sinds de jaren 40 zwaar ondersteund. Er werd ook een waterafvoer in de holle takken aangebracht met klein buisjes, zodat die niet gaan rotten.
Architectuur
De panden rondom het Vrijthof zijn allemaal verschillend, maar hun aanblik vormt toch een eenheid. Veel panden zijn ontworpen door architect Bedaux uit Goirle. Hij had een kapel in Udenhout gebouwd en de burgemeester was daar zo gecharmeerd van dat hij Bedaux vroeg om het gemeentehuis te komen bouwen. De stijl van Bedaux is een mix van traditioneel en modern, in harmonie met lokale context en met respect voor historie. Hij verwierf er landelijke bekendheid door en inmiddels beheert de derde generatie een groot architectenbureau. Ook het gemeenschapshuis van de Protestantse kerk en Cultureel Centrum Elckerlyc zijn door het bureau gebouwd en de voormalige Rabobank wordt nu verbouwd tot luxe appartementen van -schrik niet- een miljoen.
Sint Petruskerk
De Sint Petruskerk stamt uit 990. Toen werd hier een tufstenen kerkje gebouwd. De huidige (gotische) kerk en toren stammen uit circa 1300. De kerk heeft een toren van 74,5 meter hoog, die je kuntbeklimmen. Het onderste gedeelte is van steen en het bovenste gedeelte van hout. In die tijd werd er veel met zandsteen gebouwd, en Hilvarenbeek had een steenoven. Een gedeelte van de stenen is van herbouw van de oude toren met stenen uit de IJssel. Aan de voorkant goed zichtbaar. Maar het bovenste gedeelte, de appel, de lantaarn en de ui erbovenop, zijn van hout en heel kwetsbaar. Dat deel staat zelfs een beetje scheef. Het helt een beetje naar de Esbeekse kant, zegt men. Da’s niet de goede kant. Het houten torendeel is nu gestabiliseerd. De toren van de gemeente en de kerk is van het bisdom.
Klara
Aan de zijkant hangt een beeldje van Klara. Als er een festiviteit is, wordt er een worst aangehangen voor goed weer. Soms is die dan al snel weg en soms hangt hij zo lang dat hij bijna weg loopt. Het beeldje daar is dat komen te hangen omdat er 25 jaar tijdens de. Groot Kempische Cultuurdagen goed weer was. Als dank heeft men dit beeldje laten maken en hier aan de kerk bevestigd.
Klokkentoren
Er hangen een paar bijzondere klokken in de toren. De Tiendklok werd geluid als de hertog van Brabant of iemand voor hem geld kwam innen in het dorp, want de boeren moesten 10% van de opbrengst afgeven. Dan werd de klok geluid en kwamen de boeren naar het Vrijthof om te betalen. Johanna van Brabant, de vrouw van de hertog, heeft een klokje geschonken als dank voor de boeren van Hilvarenbeek. Die hadden haar uit het moeras tussen Goirle en Hilvarenbeek getrokken toen haar koets daarin vast kwam te zitten. Het Johannaklokje luidt elke avond even na 21.00 uur, het tijdstip waarop ze werd bevrijd uit de modder.
Het carillon klinkt zeer regelmatig. De beiaardier Gideon Bodden, geboren en opgegroeid in Hilvarenbeek, is ook de stadsbeiaardier van Amsterdam.
Op zondagmiddag zijn de kerk en de toren open voor publiek. Meestal is er om drie en om vier uur een beklimming van de toren met een gids, je kunt dan gewoon aansluiten.
Hubertusmis
Er worden nog diensten gehouden in de kerk. maar de traditionele Hubertusmis wordt niet meer in de kerk gehouden. De Hubertusmis was een viering aan het begin van het jachtseizoen en werd gehouden ter ere van Sint Hubertus, patroonheilige van jagers. Toch wordt sinds 2023 opnieuw een officiële Hubertusviering op het Vrijthof georganiseerd, compleet hoornblazers en jachthonden.
Symbolen in donkere gevelstenen
In de zijgevel van de toren zijn enkele langgerekte symbolen van donkere stenen nog net zichtbaar. Eerst dacht men dat het de handtekeningen van rondtrekkende metselaars waren. Of dat het te maken had met de Heilige Agatha van Sicilië. Het symbool heeft de vorm van een tang en Agatha is bekend om haar martelaarschap: zij werd bewerkt met een tang. Maar nu denkt men dat het te maken heeft met de rechtspraak. Hilvarenbeek had tot circa 1811 een eigen schepenbank, een lokale rechtbank.
Erfgoedzolder
In de toren is een torenkamer met een omloop en twee deuren naar de kleine loggia aan de voorzijde gecreëerd. Op dit zoldertje worden in vitrines wat opgravingen en erfgoed tentoongesteld. Ook worden er enkele markante personen uit de Beekse historie belicht.

















































































































































