Met het project Verbonden levenslopen onderzoeken we de bewoners in de vier kerkdorpen Meerveldhoven, Oerle, Veldhoven en Zeelst omstreeks 1832. Dat gebeurt door het samenvoegen van gegevens uit verschillende bronnen in een database.
Onderzoeksdoel
We onderzoeken het leven van de bewoners in de vier kerkdorpen Meerveldhoven, Oerle, Veldhoven en Zeelst. Van de meeste van hen weten we al wanneer en waar zij gedoopt werden, misschien ook trouwden maar ook wanneer ze uiteindelijk begraven werden.
Natuurlijk kunnen we hierdoor laten zien hoe oud deze mensen worden en welk deel van hen als volwassene een partner vindt en zelfs kinderen krijgt. De Borgbrieven noemen waar nieuwkomers vandaan komen en waar vertrekkende inwoners heengaan. Ook in het verleden zijn er veel migranten! Voorlopig kunnen we met al deze gegevens veel vertellen over de periode 1750-1921. De verschillen en overeenkomsten met de Veldhovenaren van nu zijn opmerkelijk!
Een beeld van de samenleving krijgen we uit de volkstellingen in het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven. Een volkstelling is een momentopname van de totale bevolking van een gemeente en noemt per huis alle bewoners, inclusief personeel. We zien wat de beroepen zijn, waar de bejaarden wonen en nog veel meer. Bovendien zien we dat er ook inwoners zijn die tijdelijk in een dorp wonen, zoals knechten en dienstboden, maar ook pastoors, dokters en huurders van landbouwgronden.
Vanaf dit najaar verwerken we eerst de volkstellingen van Oerle, daarna Zeelst, Veldhoven en Meerveldhoven. In deze fase gaan we samen leren hoe we het onderzoek kunnen doen en na de volkstellingen kunnen verbinden met de kadastrale bronnen.
Kadastraal onderzoek
Met ons onderzoek naar de kadastrale gegevens zien we hoe het grondbezit verdeeld is, waar bouwlanden en weilanden zijn, hoe de gronden bewerkt worden en wat de opbrengst daarvan is. Zo weten we over Oerle dat het in 1832 voor twee derde uit woeste gronden bestaat, zoals heide, bossen, hakhout en vennen. Deze gronden zijn grotendeels eigendom van de ‘gerechtigden van de Groten Aard’, gemeenschappelijk eigendom van bijna alle inwoners. Dit betekent dat zij daar brandhout mogen sprokkelen, hun schapen laten grazen en plaggen mogen afsteken om hun akkers te bemesten.
We zien dat er nauwelijks boeren zijn die meer dan 10 hectaren kunnen bewerken en dat de helft van hen het met hooguit 3 hectare moet doen. Combineren we deze gegevens met de belastingtarieven waarin de inkomsten geschat worden, dan zien we wie de meest succesvolle boeren en vaklieden zijn.
Wat we niet uit de kadastrale bronnen kunnen leren is, dat een deel van de inwoners helemaal geen grond bezit. Sommigen van hen lukt het toch om zo veel te verdienen dat ze belasting moeten betalen, de hoofdelijke omslag. Wie we wel in de volkstellingen maar niet in de belastingboeken terugvinden kan wel terugkomen in de boeken van het armenbestuur.
Foto: Detail uit het Kadastraal Minuutplan Oerle 1832 sectie B2, Kerkoerle.








































































