Nergens in de gemeente Veldhoven vind je zoveel bossen en weilanden als in de voormalige gemeente Oerle. Tot 1900 bestaat de gemeente Oerle uit ruim 1000 hectare woeste grond (heide en vennen). Rond 1900 worden de woeste heidegronden van “De Grooten Aard” ontgonnen tot bruikbare grond. De grote kale heidevlakte verandert in een landschap met bos en weidegronden.
Aaneengesloten in de aangrenzende gemeente Vessem ligt nog 224 hectare niet ontgonnen. De ontginningen vinden plaats tussen Toterfout en Halve Mijl en tussen Zandoerle en Knegsel en rondom de Vliet. Alle huidige bossen op die plaatsen zijn dan kale grond. Het is bijna niet voor te stellen dat je vanaf Oerle naar Sittard en Knegsel en naar het gehucht Halve Mijl kon kijken.
Burgemeester A.J.H. Heuij
In 1905 aanvaardt burgemeester Heuij zijn ambt en hij ijvert ervoor de woeste gronden door ontginning productief te maken. In 1906 stelt de “Nederlandse Heidemij” een onderzoek in, maar tot enig resultaat leidt die poging niet. Daarna, nog in hetzelfde jaar, wordt het plan besproken met de “Inspecteur der Staatsbosschen en Ontginningen” en wordt aan de “Staat der Nederlanden” een renteloos voorschot aangevraagd voor de ontginningen door bebossing. Naar de mening van “Staatsbosbeheer” zijn er ook enkele terreinen geschikt als grasland. Een daarvan is het Vluttersven bij de Grote Vliet en de Kleine Vliet. Bijna 8 hectaren kunnen grasland worden.
Bos en grasland
De meeste woeste heidegronden zullen bos worden. In de ontginning tot grasland heeft de gemeenteraad van Oerle niet veel vertrouwen. Een reden is het kostenaspect. Hier zijn van staatszijde geen middelen voor. De gemeenteraad besluit om slechts 1 hectare van het Vluttersven als proef tot grasland te laten ontginnen.
In oktober 1907 begint “Staatsbosbeheer” hiermee. De werkzaamheden bestaan uit droogleggen, ploegen, egaliseren en bemesten. Per hectare rekent men voor de bemesting 1400 kilo kalk, 100 kilo slakkenmeel en 100 kilo kalniet. Om de bodem humusrijker te maken worden eerst lupinen verbouwd. Hiervoor is nodig dat de grond geënt wordt. Dat wil zeggen dat over de hectare grond 8 tot 10 karren grond worden uitgestrooid waarop al goede lupinen gegroeid hebben. Dit kost het gigantische bedrag van 230 gulden.
Tienjarenplan
Op 15 mei 1907 keurt de gemeenteraad van Oerle met algemene stemmen de ontginning goed. Het wordt een tienjarenplan van 1908 tot 1918, maar de werkzaamheden lopen enkele jaren uit. Als in 1921 de gemeente “Groot Veldhoven” ontstaat worden de ontginningswerkzaamheden uitgebreid. Zo vinden er tussen 1920 en 1930 nog ontginningen plaats.
Lonen
De ontginningen hebben nog een ander voordeel, namelijk de werkverschaffing aan kleine boeren. Het dagloon bedraagt in de zomer fl. 1,10 tot fl. 1,20 en in de winter fl. 0,90 tot fl. 1,00. Tot 1913 zijn er voldoende arbeidskrachten, maar daarna wordt de vraag naar arbeiders uit het nabijgelegen Eindhoven voelbaar. Het loon moet omhoog. Men gaat van een dagloon naar een uurloon. In 1913 is dat fl. 0,12 per uur. De boswachter schrijft in zijn jaarverslag van 1913: “Om in de toekomst over flinke arbeiders te kunnen beschikken zal het nodig zijn het uurloon te verhogen tot fl. 0,13 of fl. 0,14. Gebeurt dit niet, dan bestaat de kans dat de ontginningen steeds met minder geschikte en minder betrouwbare arbeiders plaats vinden.”
Foto: Tussen Toterfout en Halve Mijl



















































































